Schooier

Schooier

Mijn moeder noemde mij laatst ‘schooier’, omdat ik de telefoon waarover zij mijn advies had gevraagd en mij over had getipt, vervolgens eerder kocht dan zij. Schooier, een woord dat je niet zo vaak hoort, zou radio 538-dj Edwin Evers zeggen. Niet meer in ieder geval. Ik heb de betiteling ‘schooier’ als liefkozend opgevat, maar is-ie ook zo bedoeld?

Een schooier is volgens het etymologisch woordenboek een ‘bedelaar, landloper, armoedzaaier’. Het woord is afgeleid van het werkwoord schooien in de betekenis ‘rondzwerven, bedelen’. Schooien (schoyen) kwam in 1502 al voor in het Woordenboek der Nederlandse Taal.

Het Groot Scheldwoordenboek geeft ongeveer dezelfde betekenis voor het zelfstandig naamwoord schooier als het etymologisch woordenboek: haveloos uitziend persoon; iemand met een slordig uiterlijk; iemand die men om zijn stand minacht. Eigenlijk ‘landloper; bedelaar’.

In het Mokums, lekker plat Amsterdams dus, betekent schooier: sjoemelaar, scharrelaar maar ook ‘iemand die het niet zo nauw neemt’. Pff, allemaal weinig liefkozend betekenissen.

Maar net op de valreep biedt het vrije woordenboek Wiktionary soelaas. Schooier betekent ook deugniet; een woord dat ‘schertsend als liefkozing wordt gebruikt’. Eind goed, al goed!

0 Reacties

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*