Taalweetjes

BASISKENNIS

Het lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp. Is dat een voorwerp dat pijn lijdt? Nee natuurlijk niet. Het lijdend voorwerp is een zinsfunctie. Je vindt het lijdend voorwerp door de zin vragend te maken. Het antwoord op de vraag: wie/wat + gezegde + onderwerp is het lijdend voorwerp.

Voorbeeld: Jip en Janneke laten Takkie uit.
Het lijdend voorwerp in dit zinnetje volgt uit de vraag: wie laten Jip en Janneke uit? Takkie!

Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat de werking van het gezegde direct ondergaat. Het lijdend voorwerp noemen we daarom ook wel direct object.

Het lijdend voorwerp kan ook bestaan uit een hele bijzin, dan spreken we van een lijdendvoorwerpszin.

Voorbeeld: Zij vroeg haar vriend wat hij het liefste wilde eten ’s avonds.
Wat vroeg zij haar vriend? Wat hij het liefste wilde eten ’s avonds, dat is de lijdendvoorwerpszin.

Alleen overgankelijke werkwoorden kunnen of moeten een lijdend voorwerp bij zich hebben. Over overgankelijke werkwoorden vertel ik in een volgend weetje meer.

 

ideeëloos
ideeëloos

PLANTEN- EN DIERENNAMEN

Wanneer je voor verschillende opdrachtgevers werkt, leer je zelf ook steeds weer iets nieuws. Bijvoorbeeld over de spelling van planten- en dierennamen. Schrijf je die nu met een hoofdletter of een kleine letter?

De regel is simpel: planten- en dierennamen schrijf je in algemene teksten met kleine letters. Het is dus: geranium, hortensia, viooltje, hond en papegaai. Datzelfde geldt voor plantenfamilies: begoniafamilie, rozenfamilie, etc.

Wanneer de naam van een dier of plant een afleiding is van een aardrijkskundige naam of een samenstelling ermee, krijgt de naam eveneens een kleine letter: barnevelder, galapagosschildpad, hollander, lotharinger, nijlpaard, shetlander, yorkshireterriër, enz.

 

Een planten- of dierennaam krijgt een hoofdletter wanneer in de naam een aardrijkskundige naam als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt: Amerikaanse eik, Kaaps viooltje. Dat is ook het geval bij de wetenschappelijke Latijnse naam aan het begin van de planten- of dierennaam: Phytoseiulus persimilis, Viola lutea calaminaria. De soortnaam achter de Latijnse naam krijgt weer gewoon een kleine letter.

 

 

ideeëloos
ideeëloos

ILLUMINADE

De Illuminade is tijdens het Amsterdam Light Festival een lichtkunstroute. Wat betekent het woord eigenlijk? Even googelen levert de volgende resultaten op:

Het woord komt uiteraard van het Latijnse illuminare dat verlichten betekent. In het Nederlands hebben wij daarvan het woord illuminatie afgeleid ofwel boekverluchting. Handschriften werden in de middeleeuwen verlicht met bladgoud of zilver; ze werden geïllustreerd.

Dan zijn er ook nog de Illuminaten, ook wel Illuministen of Illuminati genoemd, hetgeen de aanduiding is voor verschillende historische ‘geheime’ genootschappen. In het Latijn betekent Illuminati ‘de verlichten’.

Het woord illuminade kom je nergens tegen. Duidelijk is echter de link met het Latijnse illuminare. De Illuminade is gewoon een betoverende lichtjestocht. Ga maar eens kijken.

 

ideeëloos
ideeëloos

BASISKENNIS

Zelfstandige naamwoorden

De Nederlandse grammatica kent tien verschillende woordsoorten: zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, voornaamwoorden, telwoorden, werkwoorden, lidwoorden, voor- en achterzetsels, voegwoorden en tussenwerpsels. Het benoemen van de woorden in een zin naar hun woordsoort noemen we taalkundige ontleding. Naast taalkundige ontleding kennen we ook de redekundige ontleding. Dat is het indelen van een zin in zinsdelen en het toekennen van een functie aan die zinsdelen. In de Taalweetjes behandel ik steeds een onderdeel van de Nederlandse grammatica en ik start met het zelfstandig naamwoord.

Zelfstandige naamwoorden benoemen rechtstreeks personen, dieren of zaken uit de werkelijkheid. Meestal gaat er een lidwoord, de, het of een, vooraf aan een zelfstandig naamwoord. Eigennamen behoren ook tot de zelfstandige naamwoorden.

Voorbeelden van zelfstandige naamwoorden zijn: gymnastiekleraar, aap, koekenpan, zomer, Amsterdam, Jasper, Kerstmis en Heineken.

Het zelfstandig naamwoord is een open woordsoort, omdat er steeds nieuwe woorden bij komen (neologismen). Er zijn drie manieren waarop nieuwe zelfstandige naamwoorden ontstaan:
* door uit twee bestaande woorden een nieuw woord te vormen: draaideur-criminineel, graai-cultuur
* door achter een bestaand woord een voor- of een achtervoegsel te plaatsen: grenzeloos-heid, her-ontwikkeling
* door woorden uit een vreemde taal over te nemen: bluetooth, content.

Naar de betekenis kunnen we zelfstandige naamwoorden onderverdelen in concrete en abstracte zelfstandige naamwoorden en in soortnamen en eigennamen. Deze twee indelingen kunnen we ook combineren.
Concreta en abstracta: clown, meisje, peer (waarneembare zaken) en juni, communicatie, liefde (niet-waarneembare zaken)
Eigennamen verwijzen naar een unieke persoon of zaak uit de werkelijkheid: Marjon, Frankrijk. We schrijven eigennamen vrijwel altijd met een hoofdletter.
De unieke verwijzing bij een soortnaam wordt bepaald door het gebruik in de zin: mijn fiets is zwart, haar fiets is roze. In dit geval worden met hetzelfde woord fiets twee verschillende voorwerpen (fietsen) aangeduid. Fiets staat hier voor alle fietsen uit de werkelijkheid,

ideeëloos
ideeëloos

SAMENSTELLINGEN (2)

Er bestaan veel soorten samenstellingen. Hier bespreek ik de samenstelling met gelijkwaardige delen. Dergelijke samenstellingen krijgen een streepje tussen de delen.

Het is prijs-kwaliteitverhouding, omdat prijs en kwaliteit gelijkwaardig zijn. Het gaat immers om zowel de prijs als de kwaliteit. Een soortgelijk voorbeeld is de kosten-batenanalyse. Kosten en baten zijn gelijk, want het gaat om de analyse van zowel de kosten als de baten. Kosten-/batenanalyse is ook een correcte schrijfwijze maar betekent iets anders, namelijk de analyse van of de kosten of de baten.

Veelvoorkomende samenstellingen met gelijkwaardige delen zijn:
aan-uitschakelaar
bonus-malusregeling
dag-nachtritme
gebruikersnaam-wachtwoordcombinatie
haat-liefdeverhouding
koel-vriesinstallatie
leer-werkplek
man-vrouwverhouding
product-marktcombinatie
was-droogcombinatie
welles-nietesdiscussie
zwart-witfoto

 

ideeëloos
ideeëloos

SAMENSTELLINGEN

Een samenstelling is een combinatie van woorden die een eenheid vormt en aan elkaar wordt geschreven. Samenstellingen hebben een aantal kenmerken:

  • Als twee (of meer) woorden een samenstelling vormen, zijn ze één geheel, en is er dus ook vaak één hoofdklemtoon: békerhouder, táfelblad.
  • Het laatste deel van de samenstelling is de kern van het geheel en bepaalt ook het woordgeslacht: het is de poot en dus ook de tafelpoot en het blad dus ook het tafelblad.
  • Het laatste deel geeft aan om wat voor ding het gaat; het eerste deel specificeert het laatste deel. Een houder voor bekers of de poot van een tafel.
  • De delen van een samenstelling zijn ‘echte woorden’: ze kunnen ook zelfstandig voorkomen. Hierin onderscheiden samenstellingen als tafelpoot zich van afgeleide woorden als potig (stevig). Zo’n achtervoegsel kan niet als zelfstandig woord voorkomen.
  • Ook werkwoorden (kennismaken, onderkennen) en bijvoeglijke naamwoorden (bedrijfsmatig, donkerblauw) kunnen samenstellingen zijn (dan bestaan ze uit delen die zelfstandig kunnen voorkomen) of afleidingen (zoals bewerken, ontwapenen en blauwig).
  • In samenstellingen kunnen streepjes worden gezet; meestal mág dat sowieso om de duidelijkheid te verhogen (zoals in stro-pop; stropop leest niet prettig). Bij onder meer klinkerbotsing is een streepje zelfs verplicht.

‘Samenstelling’ is een belangrijk begrip, want een basisregel van de Nederlandse spelling is dat samenstellingen aaneen worden geschreven. Bij korte samenstellingen gaat het aaneenschrijven meestal goed. Bijna niemand schrijft tafel poot of voet bal. Maar heel veel mensen schrijven woorden als langetermijndoelstelling en maximumsnelheid los van elkaar en dus fout.

ideeëloos
ideeëloos

GOED GESPELD (2)

In Golfers Magazine kwam ik een woord tegen dat op veel manieren wordt gespeld en meestal niet de juiste: chagrijnig of sacherijnig. Beide schrijfwijzen zijn juist in dit geval, zij het dat sacherijnig volgens Van Dale volkstaal is. Tijd voor een nieuwe serie regelmatig foutief gespelde woorden.

Zij zijn bang voor represailles.
Hij is mijn impresario.
Een baby’tje heeft nog geen hobby’s.
Euthanasie is een discussieonderwerp.
Diarree is niet relaxed.
Een uittreksel van de Kamer van Koophandel.
Het publiek applaudisseert op commando.
Ik heb je ge-e-maild.
Een faillissement is onafwendbaar.
Zijn ideeën zijn megalomaan.
Mag ik u tutoyeren?

 

ideeëloos
ideeëloos

DE BEZITS-S

De bezits-s geeft een bezit aan. Wanneer schrijf je de s aan het woord vast, wanneer gebruik je een apostrof s en wanneer alleen een apostrof?

De regels zijn eenvoudig: je schrijft de –s er altijd aan vast, behalve als je de bezitsvorm niet meer goed uit kunt spreken. Dat gebeurt bij de volgende laatste letters:a, i, o, u en y. Het is dus Carola’s boek.

Als de naam al op een –s (of een sisklank) eindigt, komt er alleen een apostrof achter en géén extra –s. Twee voorbeelden zijn: Lies’ boek en Maurice’ boek.

Bij een naam die eindigt op een -e ten slotte schrijf je de -s er bijna altijd aan vast. Dus: Aimees boek en Andrés boek.

IK HOU OF IK HOUD VAN JE?

Ik hou van je en ik houd van je zijn allebei goed. In formele teksten is het gebruikelijk om de d wel te schrijven. In informele teksten gaat de voorkeur uit naar hou. De vorm zonder ‘d’ is in de spreektaal ontstaan en bestaat al eeuwenlang.

Het weglaten van de d is mogelijk bij de werkwoorden glijden, houden, rijden, snijden en uitscheiden (‘ophouden’), of samenstellingen daarmee, zoals doorrijden, ophouden en uitglijden. Het verschijnsel doet zich voor bij:

  • de ik-vorm: ‘Ik hou van jou’; ‘Ik hou ermee op’;
  • de gebiedende wijs: ‘Glij niet uit!’; ‘Schei uit!’;
  • de jij-vorm als het onderwerp je/jij achter de persoonsvorm staat: ‘Straks snij je je nog’, ‘Rij jij of rij ik?’

Soms is zelfs houen correct als zeer informele infinitief of meervoudsvorm, zoals bijvoorbeeld in ‘Kop houen jij!’ of ‘Houen zo’.

VEEL GESTELDE VRAGEN OF VEELVOORKOMENDE FOUTEN?

De juiste schrijfwijze is veelgestelde vragen en veelvoorkomende vragen. Beide woorden worden aaneengeschreven, net als veelbesproken, veelgevraagd, veelvoorkomend, veelgebruikt, etc.

Veel gestelde vragen kan namelijk een interpretatieprobleem opleveren. Bijvoorbeeld in de zin ‘Op deze pagina vindt u een overzicht van veel gestelde vragen’. Veel gestelde vragen kan dan gelezen worden als ‘vaak gestelde vragen’, maar ook als ‘een groot aantal gestelde vragen’.

Officiële spellingsregels bestaan er overigens niet voor dit type woorden. Van Dale, het Groene Boekje en het Witte Boekje hebben de hiervoor genoemde woorden echter als een woord, derhalve aaneengeschreven, opgenomen. Tot dezelfde groep behoren bijvoorbeeld ook: hogeropgeleid, dichtstbevolkt en meestbezocht.

GOED GESPELD

Wanneer je een woord uitspreekt, kan je spellingstechnisch nog een beetje smokkelen, maar in een geschreven tekst lukt dat niet. Sommige woorden kennen in geschreven teksten vele spellingsvariaties, maar wat zijn nu de juiste schrijfwijzen? Hieronder zomaar een greep uit veelgebruikte maar regelmatig foutief gespelde woorden.

Ik vind je hartstikke lief.
Kennis van Adobe is een pre.
Het is niet per se nodig.
Ik kom sowieso alleen.
Er staat sliptong op de kaart.
Ik begin de dag met een cappuccino.
Zij werkt als caissière.
Hij is nogal stiekem.
Hij is gynaecoloog en zij anesthesist.
Spelfouten moet je te allen tijde vermijden.
Consciëntieus zijn, is het devies.

Volgende keer een nieuwe serie moeilijke woorden, de rij is oneindig lang.

 

HOOFDLETTERS OF KLEINE LETTERS? (2)

De schoolvakanties zijn bijna ten einde, studentenverenigingen starten hun introductieweken, basisschool, middelbare school en vervolgopleidingen zijn weer de orde van de dag. Hoe spel je nu echter de namen van al die onderwijstypen?

De regel is simpel: onderwijstypen worden altijd gespeld in kleine letters.

  • Woorden ‘op zich’: atheneum, gymnasium, lyceum, universiteit
  • Samenstellingen, ook met een naam: basisschool, basisvorming, beroepsonderwijs, daltonschool, hogeschool, jenaplan, kunstacademie, leonardoschool, montessorionderwijs
  • Woordgroepen: bijzonder onderwijs, brede school, hoger onderwijs, lager onderwijs, middelbare school, openbare scholengemeenschap, primair onderwijs, secundair onderwijs, speciaal onderwijs, tweede fase, voortgezet onderwijs, vrije school;
  • Letterwoorden (afkortingen die klinken als gewoon woord) en samenstellingen daarmee: havo, mavo, moedermavo, pabo;
  • Initiaalwoorden (letter voor letter uitgesproken): bso, hbo, lbo, lts, mbo, roc, tso, vmbo, vwo

 

ETATISTISCH FRANKRIJK

Een woord dat je niet zo vaak hoort, zouden ze bij radioprogramma ‘Evers staat op’ zeggen: etatistisch. Ik las het in de NRC en kende het niet.

Etatistisch betekent: gezagsgetrouw, staatsaanhankelijk.

De term wordt meestal gebruikt om van een land of partij te zeggen dat het meer etatistisch is dan door de gebruiker van de term gewenst is. Etatisme komt van het Franse état (staat). Het is de leer die staatsinmenging voorstaat ofwel het staatsbelang voorrang geeft.

TYPISCH ROTTERDAMS: KEN HET DAT IK JOU KAN?

Wanneer is het kennen en wanneer kunnen? Een ezelsbruggetje is: kennen ‘vindt plaats in je hoofd’ en kunnen ‘kun je doen’.

Kennen betekent onderscheiden, herkennen, bekend of vertrouwd zijn met en wordt ook gebruikt in de betekenis van door studie of oefening geleerd hebben of beheersen. Kunnen betekent mogelijk zijn , in staat zijn. De betekenissen lijken op elkaar met dit onderscheid, dat kennen een overgankelijk werkwoord is en daarom altijd een lijdend voorwerp bij zich heeft. Kunnen is daarentegen een hulpwerkwoord en gebruik je met een infinitief (het hele werkwoord).

Twee voorbeelden:
Ik ken hem als sinds de lagere school.
Ik kan goed lezen.

Kortom: kennen is weten, kunnen is doen.

HUN OF HEN?

Het persoonlijk voornaamwoord hen gebruik je: • na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: ‘Ik geef het boek aan hen.’ • als lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: ‘Ik bezoek hen.’ Een ezelsbruggetje om te weten of je ‘hen’ moet gebruiken, is de zin lijdend maken met het werkwoord worden. In dat geval verandert ‘hen’ in het onderwerp: ‘Zij worden bezocht.’ Het persoonlijk voornaamwoord hun gebruik je als het een meewerkend voorwerp is. Meestal kun je er dan een voorzetsel (aan, met, voor) bij denken. Bijvoorbeeld: ‘Ik geef hun het boek.’ (Ik geef het boek aan hen) Hun en hen kunnen alleen worden gebruikt als naar personen wordt verwezen.

AFORISMEN

Wat is een aforisme? Hoofdredacteur van het NRC, Peter Vandermeersch, noemde het begrip in zijn voorwoord bij het extra katern over de Eerste Wereldoorlog van zaterdag 28 juni jl. Hij schreef: ‘Geschiedenis is een dankbare bron voor aforismen’.

Een aforisme is een korte, bondige uitspraak. Als schrijver van een aforisme verkondig je een unieke kijk op de dingen zonder je daarbij te laten remmen door hedendaagse maatschappelijke conventies over wat ‘waar’ is. Aforismen horen te verrassen, te prikkelen en te provoceren. Het aforisme is het tegenovergestelde van een cliché, het is een ‘deftige’ one-liner. een one-liner die aan allerlei specifieke eisen moet voldoen, waarvan de aanwezigheid van een paradox de belangrijkste is.

Enkele beroemde aforismen zijn:
‘Een aforisme is een duidelijk antwoord op een vraag die nooit werd gesteld’ (Vlaams schrijver Frans Auwera)
‘Een cynicus is iemand die overal de prijs, en nergens de waarde van kent’ (Engels schrijver Oscar Wilde)
‘Sommige kunstenaars worden postuum geboren’ (Duits filosoof Friedrich Nietzsche)

GEBENEDIJD VS. VERMALEDIJD

Vermaledijd is een woord dat je incidenteel nog in teksten tegenkomt. Onlangs kwam ik ook zijn ‘zusje’ tegen: gebenedijd. In de desbetreffende tekst ging het over gebenedijde moeders en vermaledijde vaders. Wat betekenen beide woorden eigenlijk?

Vermaledijd betekent vervloekt. Het is het voltooid deelwoord van vermaledijen en stamt af van het Latijnse maledicere ‘vervloeken, lasteren’, waarin male ‘kwaad’ en dicere ‘spreken’ gecombineerd zijn.
Gebenedijd betekent letterlijk gezegend, maar wordt ook vaak gebruikt in combinatie met ‘geen’ en betekent dan ‘geen enkel’. Bijvoorbeeld geen gebenedijd woord zeggen. Gebenedijd is het voltooid deelwoord van benedijen, dat afstamt van het Latijnse benedicere ‘goed/verstandig spreken, zegenen’. De pausnaam Benedictus betekent ‘de gezegende’.

IN DE AAP GELOGEERD ZIJN

Wat betekent die uitdrukking en waar komt hij vandaan?
Ben je in de aap gelogeerd, dan ben je in een vervelende situatie beland. Over de herkomst van de uitdrukking bestaan meerdere theorieën, die een ding gemeen hebben: er komt een herberg in voor met de naam ‘De aap’ of ‘In de aap’. Een spottende benaming voor een herberg waar het niet fijn vertoeven was. Die spotnaam zou te danken zijn aan het negatieve imago van de aap, maar het kan ook zijn dat de afbeelding van een aap op het uithangbord van zo’n herberg stond.

Er wordt weleens geopperd dat de uitdrukking ontstaan is in de Amsterdamse herberg ’t Aepje of ’t Aepgen aan de Zeedijk, waar het slecht toeven zou zijn. Ook op internet doet dit verhaal de ronde. Hoewel er aan de Zeedijk inderdaad een pand is dat ’t Aepgen heette, is niet te bewijzen dat het pand vroeger een herberg of café is geweest.

WANNEER IS TENSLOTTE JUIST EN WANNEER TEN SLOTTE?

Het gaat hier om een betekenisverschil. Tenslotte gebruik je als je ‘welbeschouwd, immers, per slot van rekening’ bedoelt. Ten slotte betekent ‘tot slot’. In een opsomming gaat het dus om ten slotte. Voorbeelden: De voorzitter bedankte ten slotte alle aanwezigen voor hun bijdrage. Je bent tenslotte al vier jaar. Ten slotte bezochten we in de vakantie ook nog Parijs. Gebruik dat papier maar, weggooien is tenslotte zonde.

WAT OF DAT?

Je verwijst met het betrekkelijk voornaamwoord ‘dat’ naar een onzijdig zelfstandig naamwoord, een het-woord. Het is dus bijvoorbeeld ‘het boek dat’.

Het betrekkelijk voornaamwoord ‘wat’ gebruik je in de volgende gevallen:
• Na een onbepaald woord zoals iets, niets, alles of het enige Bijvoorbeeld: ‘Ik zie niets wat ik leuk vind.’
• Na een voornaamwoord (dat, datgene) Bijvoorbeeld: ‘Ik mis datgene wat ik thuis wel heb.’
• Na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord, meestal een overtreffende trap, of na een (rang)telwoord. Bijvoorbeeld: ‘Al is het het laatste wat ik doe.’
• Als het terugslaat op een hele zin. Bijvoorbeeld: ‘Het huis brandde volledig af, wat heel triest was.’
• Als het antecedent (datgene waarop wat slaat) niet genoemd is. Bijvoorbeeld: ‘Ik neem wat zij heeft.’

HOOFDLETTERS OF KLEINE LETTERS (1)

Over het gebruik van hoofdletters en kleine letters kun je een boek vol schrijven. Ik maak er in de Taalweetjes een serie van. In deel 1 beantwoord ik de vraag of er na een dubbele punt altijd een hoofdletter komt. Het antwoord is nee. In de volgende gevallen echter wel:

  • Het woord na de dubbele punt heeft van zichzelf al een hoofdletter
  • Er volgt een opsomming van meerdere zinnen of vragen
  • Er volgt een citaat of een andere zin tussen aanhalingstekens
  • Na een losse aanduiding als Let op, Tip, Advies of Opmerking

Voorbeelden:
Er zijn meerdere landen waar men Spaans spreekt: Argentinië, Mexico, Spanje en Venezuela.
Check voor je op vakantie gaat: Staat de verwarming laag? Is het gas uit? Zijn alle ramen gesloten?
Johan Cruijff zei: “Zonder de bal kun je niet winnen.”
Voorbehoud: Aan de inhoud van dit e-mailbericht kunnen geen rechten worden ontleend.